Kreukels plooien.

 
 
De woorden 'mangelen' en gladstrijken' mogen in gezegden een ongunstige klank hebben, in de ware, huishoudelijke betekenis schijnen we niet zonder strijkijzers te kunnen.
 
Het kleinste museum van Nederland, in het Groningse Noordbroek, zou eigenlijk de langste naam moeten hebben: Het Nederlands Strijk-,Pers-, Plooi- en Mangelgereedschappen Museum. In werkelijkheid heet het gewoon het Nederlands Strijkijzer Museum, bestaande uit drie gangen en een deel van de achterkamer in de woonboerderij .van het echtpaar Den Besten.
Strijkijzers vormen de hoofdmoot van de verzameling die laat zien hoe de mensheid al eeuwenlang kreukels bestrijdt en plooien maakt. Toch verschenen die strijkijzers pas laat ten tonele. Het heeft kennelijk merkwaardig lang geduurd voordat iemand ontdekte dat verhitting van textiel het strijken vergemakkelijkt .
 
   
Pletten van stof werd al in de oertijd gedaan. Bij opgravingen zijn op ronde delen van botten textielresten gevonden. Dat bewijst echter niet dat iemand met die botten kreukels heeft willen wegstrijken: mogelijk wilde hij alleen de stof wat gladder maken om kriebelen te voorkomen.
Romeinen die er netjes bij wilden lopen, lieten hun toga's door slavinnen ontkreukelen in linnenpersen, die veel leken op die welke we nu nog in musea en bij antiquairs kunnen aantreffen.
Ook het mangelen kwam al vroeg in zwang: het stuk textiel werd daarvoor om een (mangel)stok gewonden en dan met behulp van een (mangel)plan kal rollende plat geperst.
Likstenen
Het echte strijken begon pas in de Middeleeuwen. Met het strijkglas:
een afgeplatte glazen bol waarmee vrouwen de kreukels te lijf gingen.
Om het textiel een beetje te verstevigen, werd er wat bijenwas in gewreven. Dat soort strijkglazen, ook wel likstenen genoemd, zijn tevoorschijn
gekomen bij het afgraven van terpen en bij de aanleg van de metro in
Amsterdam. Voor die in onze ogen eenvoudige voorwerpen hebben ver-
zamelaars nu een aardige handvol geld over.
Na de likstenen kwamen in de 15de eeuw strijkijzers van vuurvast aardewerk. Wat een luxe! Die dingen kon je verhitten, waardoor het strijken
een stuk gemakkelijker werd.
 

In de 16de eeuw verschenen de echte strijkijzers. De eerste waren uiteraard heel simpel: platte stukken metaal, taps toe- en soms ook uitlopend, met een greep. Ze werden op de kachel of boven open vuur verhit, zodat de greep haast net zo heet we
als de onderkant. Het handvat werd daarom soms omwikkeld met leer of textiel, maar dat bleef behelpen.
Om zonder pijn en brandwonden te kunnen strijken, zijn in de loop van de tijd heel wat slimme trucs bedacht. Sommige strijkbouten kregen heel hoge staanders, zodat de greep ver verwijderd was van de het onderkant. Andere werden tussen voet en greep voorzien van een hitteschildje of van isolatiemateriaal tussen de bevestigingspunten, stukjes asbest bijvoorbeeld. Bij weer andere werd de greep van hout, porselein of een ander hittewerend materiaal gemaakt.

Strijkijzer met schoorsteentje
De oudste strijkijzers bleven niet lang heet. Lekker doorwerken was er dus niet bij. Daarom was het zaak, 'meer dan één ijzer in het vuur te hebben.
Er werden zelfs speciale kacheltjes voor gemaakt, met platte zijkanten waar tegenaan men minstens vier strijkijzers tegelijk kon verhitten.
Na die eerste primitieve strijkijzers kwamen er exemplaren met holle er voet: daar kon een kooltje vuur of gloeiende turf in. De aanvoer van de noodzakelijke zuurstof en de afvoer van de rook vonden meestal plaats via openingen in de zijkanten. Er zijn echter ook strijkijzers met een echt schoorsteentje gemaakt. Dat stond rechts buitenboord om de hand van de strijkster te sparen.


Linkshandige vrouwen konden er niets mee beginnen. Een slimme fabrikant loste later dat probleem op door de schoorsteentjes draaibaar temaken.
Weer een stapje verder in de ontwikkeling waren holle strijkijzers me llosse stenen of metalen bouten die in het vuur werden verhit. De voordelen waren groot: minder rommel,minder rook, minder werk, betere verdeling van de warmte.
In de 19de eeuw deden nieuwe technieken om warmte op te wekken hun intrede. Het gasstrijkijzer kwam in zwang, gevolgd door strijkijzers met ingebouwde spiritus-branders.
Die ontploften nogal eens ,zodat de gebruiksters gevaar liepen in plaats van hun jurk het vaantje te strijken.
Bovendien waren ze heel duur.
Blijkens een catalogus van een  verzendhuis kostte een gewoon houtskoolstrijkijzer in 1913 f1,85 en een spiritusstrijkijzer f 5.25.

Na  het gas was het de beurt aan de elektriciteit om het strijken te vermakkelijken, een ontwikkeling die uitmonden in onze moderne strijkijzers.


Strijk en zet
Op vlooienmarkten liggen vaak strijkijzers die door de meeste bezoekers als zodanig niet worden herkend. In veel gevallen weten zelfs  de eigenaars niet wat ze te koop aanbieden.
Het zijn stukjes gereedschap  die vroeger werden gebruikt om plooien in kledingstukken te maken. Kleding heeft eeuwenlang veel meer plooien gehad dan tegenwoordig.


Strijkster /mutsenplooister was zelfs een  apart beroep. Vrouwen die dat uitoefenden, hadden een groot assortiment aan strijk en plooigereedschap : boordenijzers, boltijzers,  plooitangen, plooirekjes, plooiflesjes, neepjes (voor de neepjesmuts),
gaufreerijzers, ei-ijzers (voor pofmouwen) en ribbelplooiers.
Daarmee zijn nog lang niet alle soorten strijkijzers genoemd. Kleermakers hadden hun eigen specifieke strijk- en persgereedschap. Korsettenmakers gebruikten uitzonderlijk lange ijzertjes om tussen de baleinen in te kunnen strijken. Hoedenmakers hadden talrijke vreemd ogende strijkgereedschappen en pettenmakers konden niet zonder hun strijkijzers
in de vorm van een halve klok.
Handschoenenmakers hadden strijkgerei in de gedaante van een opgestoken hand. Kunstbloemenmakers, de 'fleuristen' hadden veel verschillende ijzertjes nodig om lapjes textiel in blaadjes en bloempjes om te toveren. Kortom: iedereen die in de textielverwerking zijn brood verdiende, had 'strijk en zet' zijn eigen strijkapparatuur.

Betaalbare hobby
Wie strijkijzers verzamelt, krijgt bijna automatisch belangstelling voor de kleding in vroegere tijden. En omdat kleding zo'n belangrijke factor in de maatschappij is en was, waaiert die interesse al snel uit naar allerlei vertakkingen van de cultuurgeschiedenis. Dat maakt het verzamelen steeds boeiender. Het aardige daarbij is, dat de meeste strijkgereedschappen vrijwel onverwoestbaar waren en zijn. Er is daarvoor veel verzamelmateriaal en dus het niet zo duur. Het strijkijzer dat ooit op een Engelse beurs bijna 1500,- opbracht, is echt een uitzondering. De prijzen zijn in  de jaren negentig erg gedaald.

Er valt ook veel te ruilen via de 'Nederlandse Kring van strijkboutenverzamelaars' in Den-Haag. Bij stilzwijgende afspraak proberen de leden van die vereniging de prijzen van oude strijkijzers laag houden, ook al om op die manier het vervalsen van antieke exemplaren onaantrekkelijk te maken. Er zijn dan ook weinig valse strijkijzers op de markt. De meeste zijn bovendien gemakkelijk te ontmaskeren. Als u in  een zogenoemd antiek kooltjes-strijkijzer aan de binnenkant een soldeerrandje ziet, hebt u beslist een vals exemplaar in handen.
Bij gebruik zou al snel de zool van de voet vallen.

 

 

Index

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bron:K&K