In de 16de eeuw verschenen de echte strijkijzers. De eerste waren uiteraard heel simpel: platte stukken metaal, taps toe- en soms ook uitlopend, met een greep. Ze werden op de kachel of boven open vuur verhit, zodat de greep haast net zo heet we
als de onderkant. Het handvat werd daarom soms omwikkeld met leer of textiel, maar dat bleef behelpen.
Om zonder pijn en brandwonden te kunnen strijken, zijn in de loop van de tijd heel wat slimme trucs bedacht. Sommige strijkbouten kregen heel hoge staanders, zodat de greep ver verwijderd was van de het onderkant. Andere werden tussen voet en greep voorzien van een hitteschildje of van isolatiemateriaal tussen de bevestigingspunten, stukjes asbest bijvoorbeeld. Bij weer andere werd de greep van hout, porselein of een ander hittewerend materiaal gemaakt.
Strijkijzer met schoorsteentje
De oudste strijkijzers bleven niet lang heet. Lekker doorwerken was er dus niet bij. Daarom was het zaak, 'meer dan één ijzer in het vuur te hebben.
Er werden zelfs speciale kacheltjes voor gemaakt, met platte zijkanten waar tegenaan men minstens vier strijkijzers tegelijk kon verhitten.
Na die eerste primitieve strijkijzers kwamen er exemplaren met holle er voet: daar kon een kooltje vuur of gloeiende turf in. De aanvoer van de noodzakelijke zuurstof en de afvoer van de rook vonden meestal plaats via openingen in de zijkanten. Er zijn echter ook strijkijzers met een echt schoorsteentje gemaakt. Dat stond rechts buitenboord om de hand van de strijkster te sparen.
 
Linkshandige vrouwen konden er niets mee beginnen. Een slimme fabrikant loste later dat probleem op door de schoorsteentjes draaibaar temaken.
Weer een stapje verder in de ontwikkeling waren holle strijkijzers me llosse stenen of metalen bouten die in het vuur werden verhit. De voordelen waren groot: minder rommel,minder rook, minder werk, betere verdeling van de warmte.
In de 19de eeuw deden nieuwe technieken om warmte op te wekken hun intrede. Het gasstrijkijzer kwam in zwang, gevolgd door strijkijzers met ingebouwde spiritus-branders.
Die ontploften nogal eens ,zodat de gebruiksters gevaar liepen in plaats van hun jurk het vaantje te strijken.
Bovendien waren ze heel duur.
Blijkens een catalogus van een verzendhuis kostte een gewoon houtskoolstrijkijzer in 1913 f1,85 en een spiritusstrijkijzer f 5.25.
Na het gas was het de beurt aan de elektriciteit om het strijken te vermakkelijken, een ontwikkeling die uitmonden in onze moderne strijkijzers.
-t.jpg)  -t.jpg)
Strijk en zet
Op vlooienmarkten liggen vaak strijkijzers die door de meeste bezoekers als zodanig niet worden herkend. In veel gevallen weten zelfs de eigenaars niet wat ze te koop aanbieden.
Het zijn stukjes gereedschap die vroeger werden gebruikt om plooien in kledingstukken te maken. Kleding heeft eeuwenlang veel meer plooien gehad dan tegenwoordig.
 -t.jpg)
Strijkster /mutsenplooister was zelfs een apart beroep. Vrouwen die dat uitoefenden, hadden een groot assortiment aan strijk en plooigereedschap : boordenijzers, boltijzers, plooitangen, plooirekjes, plooiflesjes, neepjes (voor de neepjesmuts),
gaufreerijzers, ei-ijzers (voor pofmouwen) en ribbelplooiers.
Daarmee zijn nog lang niet alle soorten strijkijzers genoemd. Kleermakers hadden hun eigen specifieke strijk- en persgereedschap. Korsettenmakers gebruikten uitzonderlijk lange ijzertjes om tussen de baleinen in te kunnen strijken. Hoedenmakers hadden talrijke vreemd ogende strijkgereedschappen en pettenmakers konden niet zonder hun strijkijzers
in de vorm van een halve klok.
Handschoenenmakers hadden strijkgerei in de gedaante van een opgestoken hand. Kunstbloemenmakers, de 'fleuristen' hadden veel verschillende ijzertjes nodig om lapjes textiel in blaadjes en bloempjes om te toveren. Kortom: iedereen die in de textielverwerking zijn brood verdiende, had 'strijk en zet' zijn eigen strijkapparatuur.
Betaalbare hobby
Wie strijkijzers verzamelt, krijgt bijna automatisch belangstelling voor de kleding in vroegere tijden. En omdat kleding zo'n belangrijke factor in de maatschappij is en was, waaiert die interesse al snel uit naar allerlei vertakkingen van de cultuurgeschiedenis. Dat maakt het verzamelen steeds boeiender. Het aardige daarbij is, dat de meeste strijkgereedschappen vrijwel onverwoestbaar waren en zijn. Er is daarvoor veel verzamelmateriaal en dus het niet zo duur. Het strijkijzer dat ooit op een Engelse beurs bijna 1500,- opbracht, is echt een uitzondering. De prijzen zijn in de jaren negentig erg gedaald.
Er valt ook veel te ruilen via de 'Nederlandse Kring van strijkboutenverzamelaars' in Den-Haag. Bij stilzwijgende afspraak proberen de leden van die vereniging de prijzen van oude strijkijzers laag houden, ook al om op die manier het vervalsen van antieke exemplaren onaantrekkelijk te maken. Er zijn dan ook weinig valse strijkijzers op de markt. De meeste zijn bovendien gemakkelijk te ontmaskeren. Als u in een zogenoemd antiek kooltjes-strijkijzer aan de binnenkant een soldeerrandje ziet, hebt u beslist een vals exemplaar in handen.
Bij gebruik zou al snel de zool van de voet vallen.

Index |