Poppenhuizen

Een poppenhuis roept voor menigeen herinneringen op aan een vlijtige grootvader die, maanden voor Sinterklaas, in het diepste geheim een poppenhuis in elkaar knutselt. Toch waren poppenhuizen eeuwen lang geen kinderspeelgoed maar kostbare kleinoden waarop de vrouw van goeden huize haar verzamelwoede kon botvieren.
Naarmate de 17 de eeuw ten einde liep, groeide de belangstelling van rijke burgers voor exotische landen, beeldende kunsten en allerlei vormen van wetenschap. Een heer van stand werd geacht van zijn eruditie blijk te geven door het bezit van een verzameling penningen, vlinders, schelpen, kaarten, porselein of prenten. In een regentenwoning mocht een rariteitenkabinet niet ontbreken.
Meestal was er dan sprake van een gesloten kastje met vakken of lades op een los onderstel.


In de loop van de 18de eeuw werd gaandeweg de ruimte binnen het onderstel benut voor laden en kreeg de kast een kuif in één van de Lodewijk stijlen. Zo ontstond het kabinet dat in de loop van tijd ook gebruikt werd als linnenkast of, voorzien van glazen deuren, als porseleinkast dienst deed. Wanneer de verzameling te groot werd voor de kast, werd een geheel kamertje ingericht als rariteitenkabinet 'rariteit' komt van het Franse rare' dat zeldzaam betekent.
Voor een dame was het in die tijd ongepast om zich bezig te houden met de wereld buiten de horizon van het huishouden. Een rariteitenkabinet was voor haar dan ook taboe, al bevestigt een aantal opmerkelijke uitzonderingen deze regel.
Een compromis werd gevonden in een kabinet dat heel werd ingericht als een patriciërswoning in  het klein: een poppenhuis.

 

Museumstukken
In de Nederlandse musea zijn enkele uitzonderlijke poppenhuizen bewaard gebleven. Twee van de  oudste bevinden zich in Amsterdam en Utrecht.
In het Rijksmuseum in Amsterdam, zo bleek uit een publieksonderzoek, is het poppenhuis het meest bekeken object na Rembrandts schilderij De Nachtwacht.
Het betreft hier het poppenhuis van Margaretha de Ruyter, dochter van de befaamde zeeheld Michiel Adriaensz. Het is een kabinet op een notenhouten onderstel met een woon- en slaapkamer, een linnenkamer, een voorraadkamer een keuken.
In het Centraal Museum in Utrecht wordt het poppenhuis van Petronella Oortmans-de la Court bewaard. Het dateert uit circa 1674, hoewel er nog tot omstreeks 1690 voorwerpen voor zijn gemaakt.
Het is een huis met negen kamers en waarschijnlijk een vrij getrouwe afspiegeling van het huis dat Petronella zelf bewoonde. Grappig is dat het huis een 'kunstkamer' bevat met schilderijtjes, munten, miniatuurglobes en een rariteitenkabinet,  zodat mevrouw op slinkse wijze toch rariteiten verzamelde.

Kleine werkelijkheid
Eén van de aantrekkelijke kanten van een poppenhuis is dat het gelegenheid biedt zich een beeld te
vormen van de inrichting vaneen 17de- of 18de eeuws huis. In het Utrechtse poppenhuis bijvoorbeeld bevindt zich een volledig ingerichte kraamkamer. We treffen er de kraamvrouw geflankeerd door de baker, die de zorgvuldig ingebakerde zuigeling op schoot houdt en de min die werd ingehuurd om het kind te voeden. Op tafel staat een zilveren kandeelkan waaruit de traditionele geboortedrank werd verstrekt. Verder staat er een theepot. Het was de tijd dat artsen kraamvrouwen adviseerden grote hoeveelheden thee te drinken om aan te sterken. Het linnenkastje is versierd met ivoren beeldjes die het Geloof en de Hoop voorstellen.
De voorwerpen die in een poppenhuis stonden of hingen werden veelal door vaklui gemaakt.
Het zilver, dikwijls voorzien van merktekens, was afkomstig van zilversmeden. Geelgieters maakten de piepkleine potten en pannen voor de keuken.
Meubelmakers vervaardigden de miniatuurmeubels, boekbinders minuscule bandjes voor de bibliotheek, schilders de soms met éénharige penseeltjes geschilderde doekjes.

Sarah’s poppenhuis.
Hoe een poppenhuis werd ingericht weten we dank zij de 18de-eeuwse Sara Ploos van Amstel-Rothé. In haar notitieboekjes hield zij bij welke voorwerpen zij voor haar twee poppenhuizen liet maken, welke ambachtslieden werden ingeschakeld en wat de prijzen waren. Het ene poppenhuis, ingebouwd in een kabinet, bevindt zich in het Haags Gemeentemuseum, het andere in het Frans Halsmuseum in Haarlem.
Het Haarlemse exemplaar werd in 1992 in restauratie genomen, waartoe het geheel uiteen moest worden gehaald en alle voorwerpen aan  een nader onderzoek werden onderworpen.


Sara woonde met haar echtgenoot, de welgestelde koopman Jacob Ploos van Amstel, in een huis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Bovendien bezat het echtpaar een buitentje aan het Spaarne, even buiten Haarlem. Op een schilderij uit 1735 zien we beiden afgebeeld. Sara is een opmerkelijk dikke vrouw, een gezetheid die haar dood werd.
Toen zij op een dag in het jaar 1751 haar man tegemoet reed langs de Haarlemmertrekvaart waarbij de koets te water raakte, slaagde men er niet in de zware vrouw tijdig uit het rijtuig te halen. De Amsterdamse kronikeur Jacob Bicker Raye schreef over het voorval in zijn dagboek:
'Mevrouw Ploos die seer swaerlijvig was, was verdronken eer men haar konde helpen.'
Uit een enkele jaren na haar dood opgemaakte inventaris bleek waar de poppenhuizen zich in het huis bevonden: 'In de nieuwe achterkamer en in de binnenkamer.' Het verzamelen van Sara begon met de aankoop van enkele kleinere poppenhuizen op een veiling. Deze werden uiteen genomen en na enkele aanpassingen overgebracht in twee nieuwe
kabinetten. Het Haarlemse poppenhuis heeft twee stel deuren. De buitenste, met mythologische scènes beschilderd, geven het geheel het aanzien van een kostbaar rococokabinet. Op de binnendeuren is de gevel van een dubbel herenhuis geschilderd met in het bovenlicht sierlijk gesneden initialen van de eigenares en haar man. Achter deze
deuren bevinden zich de volgestouwde kamertjes.
Doordat mevrouw Ploos van Amstel zo nauwkeurig alle zaken betreffende het poppenhuis bijhield, weten we welke voorwerpen afkomstig zijn uit de oude poppenhuizen en welke werden bijgemaakt.
De zilveren voorwerpen zijn trouwens voorzien van merken en jaarletters zodat te achterhalen valt wie ze heeft gemaakt en in welk jaar. Het poppenhuis bevat een schat aan voorwerpjes. Het laten maken van miniatuurvoorwerpen was een kostbare zaak. Zo betaalde Sara voor een zilveren miniatuur f2,70, voor een lantaarntje f4,- en voor het beschilderen van een kamer f 25,- Getallen die meer zeggen als we ons realiseren dat het dagloon van de naaister van mevrouw Ploos van Amstel zes stuivers was.
Voor de popjes waren, zoals gebruikelijk bij poppenhuizen, de hoofdjes en de ledematen van was gemaakt. Sara relativeerde haar kostbare en tijd vergende hobby met een zijden vaantje in de hal van het poppenhuis waarop geschreven stond:

Al wat men hier op Aerden Siet
Is poppe goet en anders niet,
De mensch, al wat hii daar van vint,
Die speelter mee, gelijk een Kint,
Hij heeft het Lief een korten tijt,
Dat hij daar naar Licht van hem smijt,
Zoo is de mensch dan als men vindt,
Niet tweemaals, maar altijds een Kindt
.

 

Speelgoed
In de loop van de 19de eeuw werd het poppenhuis steeds meer speelgoed voor kinderen. De oude speelgoedcentra zoals Neurenberg en Parijs namen poppenhuizen in productie, gemaakt van hout dat met papier was beplakt. De uitvinding van de lithografie maakte het mogelijk om baksteentjes, dakpannen, vloerkleden en behangsels op papier te drukken. In grote massa's werden miniatuurvoorwerpjes speciaal voor poppenhuizen gemaakt.
Glasblazers fabriceerden piepkleine flesjes en schaaltjes, blikslagers maakten miniatuur-pannetjes en rietvlechters vlochten korfjes en mandjes.


In Parijs zaten omstreeks 1870 zoveel bedrijfjes waar spulletjes voor poppenhuizen werden gemaakt op een kluitje, dat er een complete straat mee was gevuld. De in 1859 in Duitsland opgerichte firma Marklin, die later vooral door de miniatuurtreinen bekend werd, fabriceerde aanvankelijk poppenhuismeubeltjes.
Naast de grote poppenhuizen die vanwege hun prijs en formaat slechts voor weinig kinderen waren weggelegd, kwamen de losse kamertjes, winkeltjes en schooltjes, bestaande uit een, trapeziumvormige grondplaat met opstaande zijkanten en achterwand. Vooral keukentjes waren geliefd.
Er bestond een uitgebreid assortiment van fornuisjes, potjes en pannetjes, puddingvormen en imitatiegroenten. De goedkoopste poppenhuizen konden worden gemaakt met behulp van centsprenten. De hierop afgebeelde popjes en meubeltjes werden uitgeknipt, op karton geplakt en in een kijkdoos geplaatst.


Nog altijd was het poppenhuis uitsluitend voor meisjes bedoeld. Om toch ook jongens een soortgelijk prachtig speelgoed te kunnen aanbieden,verschenen miniatuurboerderijen, pakhuizen en Arken van Noach met daarin een hele verzameling houten dierenparen.

KruidenierswinkelDuitse keuken

Massaproductie
De Amerikaanse speelgoedindustrie wierp zich ook wat betreft de poppenhuizen op massaproductie.
Er verschenen kleine van dun hout of stevig karton gemaakte poppenhuizen waarop de wanden niet alleen waren bedrukt met behang, maar ook met afbeeldingen van schilderijtjes en meubeltjes.
Behalve de potjes en pannetjes werden ook de meubeltjes van blik gemaakt. Toen men eenmaal de techniek verstond om blik te lithograferen, maakte men stoeltjes die er uit zagen alsof ze met echt pluche waren bekleed, badkuipen die van marmer leken en 'mahoniehouten' linnenkastjes.


Een vondst waren de opvouwbare poppenhuizen.
De firma's Converse en Bliss brachten miniatuurhuisjes op de markt waarvan de hele voorpui kon worden weg geklapt, waarop één kamertje te voorschijn kwam.
Nog altijd worden er meubeltjes en accessoires voor poppenhuizen gemaakt. De komst van de barbiepopjes heeft zelfs tot een opleving geleid van allerlei miniatuurspulletjes, veelal van plastic of geperst hout. Daarnaast hebben veel volwassenen er liefhebberij in om zelf miniatuurhuisjes of winkeltjes te maken, waarvoor prachtige bouwpakketten in de handel zijn. Anderen leggen zich toe op het verzamelen van antieke poppenhuisaccessoires of kopieën daarvan. Het is ook mogelijk de gevel van het eigen huis nauwkeurig op schaal na te laten maken. Net als in de 17de en 18de eeuw is het poppenhuis weer een vermaak voor volwassenen geworden.

Index

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

Bron:K&K