|
De edele kunst van het roken
Tabak,sinds
omstreeks 1550 in Europa bekend,veroverde in hoog tempo een plaats als geneesmiddel
en vooral als genotsmiddel. Met name in zijn laatste kwaliteit zorgde dit edele
kruid vanaf 1630 voor talrijke gebruiksvoorwerpen.
In de loop van de 16de
eeuw leerden Engelse en Nederlandse zeevaarders op de kusten van Virginia van
de indiaanse bevolking het roken van tabak. Dit duivelskruid zoals men toen al
zei was geliefd aan boord van de koopvaardijschepen,waar de bemanning er de honger
mee stilde,terwijl het kauwen van tabaksbladeren als probaat middel tegen scheurbuik
gold. De hallucinerende werking van tabak zorgde bovendien voor een aangename
vlucht uit de harde sleur van de zeeman. Aanvankelijk stond de burgerij niet erg
positief tegenover de gewoonte om 'roock te drincken.'
Pas omstreeks 1620
vond het roken van tabak algemeen opgang. Pijproken werd zelfs modieus en tabak
werd het voornaamste genotmiddel. Het eerste en lange tijd enige 'rookgereedschap'
was de kleipijp, geperst uit een fijne witte klei. Omdat tabak erg duur was, was
de kop van de pijp bijzonder klein, wat tevens het voordeel had dat de onregelmatige
roker niet meteen door een over vloed aan nicotine onwel raakte.

Tabagie
Aanvankelijk
concentreerde het tabaksgebruik zich in de tabagie, de tabakskroeg, waar men de
pijp rond liet gaan of een gestopte pijp kocht.
.Dergelijke kroegen werden
vaak door een " 'toebackster' gehouden. Zij verkocht pijpen en tabak. De
tabak werd tot het midden van de 17de eeuw in strengen gesponnen en de consument
kerfde deze zelf met behulp van een gewoon tafelmes op een houten plankje. De
pijp werd aangestoken met een gloeiend kooltje uit een aardewerk vuurtest, die
ook elders in het huishouden werd gebruikt. Het roken werd afgewisseld met bier
drinken en daarnaast nuttigde men in de tabagie mosselen en oesters. Naast mannen
bezochten ook vrouwen de tabakskroeg om een pijpje te roken, het geen overigens
hun reputatie geen goed deed.
Pas rond 1630 verbreidde de gewoonte van het
roken zich naar de hogere lagen van de bevolking en langzamerhand werd ook in
huiselijke kring gerookt. Gevolg was dat steeds meer zorg aan het rookgerei werd
besteed. De eenvoudige, breekbare
pijp werd langer van steel en de ketellijn
kreeg een meer afgewogen uiterlijk. Ook trad standaardisering op in lengte en
onderscheid in kwaliteit.
De fijne pijp was langer van steel en zorgvuldig
gepolijst, de grove pijp was kort en eenvoudig afgewerkt. Een kleine, eivormige
tabaksdoos diende om het kruid mee te kunnen nemen. Vanwege de nauwe opening in
de pijpenkop werd in het scharnier van de tabaksdoos een stampertje aangebracht
om de tabak goed te kunnen aandrukken. Juist aan die stampertjes herkent men de
vroegste-messing tabaksdozen. Doosjes werden zowel gegoten als gehamerd en op
velerlei manieren versierd. Bij de gegoten doos beschikte men over een mal en
werden er dus series van gemaakt. De gegraveerde doos kon verschillende voorstellingen
krijgen, al neigde de ambachtsman ertoe zijn best verkopende voorstelling steeds
opnieuw te graveren. Bekende taferelen waren profielplaatjes van steden of de
personificatie van de smaak. In de eivormige dozen werden soms ook exclusieve
materialen als schildpad, hoorn en parelmoer verwerkt. Slechts een enkel exemplaar
is van zilver.

Goudse pijpen
Gedurende de hele 17de eeuwwaren
de kleipijp en de tabaksdoos de voornaamste attributen voor de roker. In Gouda
ontwikkelde zich de kwaliteit van de pijp tot grote hoogte, terwijl door prijsconcurrentie
het product relatief goedkoop bleef. Dat leidde vanaf 1650 tot een concentratie
van de productie in die stad.
Zowel de ketel van de pijp als de omvang van
de tabaksdoos namen na 1640 toe. De roker raakte gewend aan de nicotine en verlangde
meer tabak te roken. De dubbelconische pijp werd trechtervormig, terwijl de kleine
ovale tabaksdoos groter en platter werd. Dit laatst had ook met het nauwer worden
van de kledij te maken.
Foedralen, doorgaans voor twee lange Goudse pijpen,
kwamen in de 17 de eeuw weinig voor en er zijn derhalve maar een paar bewaard
gebleven.
Ze werden in de koloniën gemaakt, waardoor veelal ivoor, been
of schildpad voorkomt.
Naast de kerftabak waarvan men de rook inhaleert, nam
vanaf 1680 de gewoonte om tabakspoeder te snuiven toe. Bleef roken gereserveerd
voor mannen, een snuifje was ook voor vrouwen en zelfs kinderen weggelegd. Snuiftabak
werd bij de bereiding gesausd met voornamelijk zoete stoffen.
Daarna werd de
tabak gesponnen en met een bindtouw samen gebonden. Zo ontstond een carot,een
brood van tabak,dat door de snuifmolenaar tot poeder werd vermalen. In de snuifwinkel
werd deze in de bekende Delftse snuifpotten opgeborgen. De koper zelf kon melanges
laten aanmaken .
De liefhebber van het snuiven beschikte over een snuifdoos
om zijn neuskost te bewaren. Vooral in deze dozen hebben kunstenaars en ambachtslieden
zich uitgeleefd en in het sociale verkeer vervulde de snuifdoos een belangrijke
functie als praatstuk.
De kostbaarheid onderstreepte de welstand van de gebruiker
,de artistieke vormgeving zijn goede smaak,terwijl een actuele of politieke voorstelling
zijn maatschappellijke betrokkenheid benadrukte.
De snuifdoos werd zo een geschenkartikel
bij uitstek en speciaal in vorstelijke kringen in de 18de eeuw werden ze geliefde
verzamelobjecten.
Natuurlijk kennen de kostbare vorstelijke dozen hun burgerlijke
tegenhangers. De meer eenvoudige snuifdoos is van gedreven of gegraveerd zilver
,in Nederland vaak versierd met scènes gewijd aan de liefde en het huwelijk.
De menselijke moraal laat zich op deksels en bodems van snuifdozen in den brede
volgen.
Geparfumeerd snuiven
De grote populariteit van de snuiftabak
is mede te danken aan de sterke parfumering ervan. In tijden waarin het met de
hygiëne droevig gesteld was ,gold snuif als een probaat middel tegen vieze
luchtjes.
In tegenstelling tot het roken ontwikkelde het snuiven zich in hoge
matschappelijke kringen om vervolgens af te zakken naar de burgerij. Bij de adel
verdrong het snuiven het roken zelfs vrijwel volledig.
De bloeitijd van de
snuifgewoonte lag tussen 1720 en 1760 ,maar het gebruik handhaafde tot ver in
de 19de eeuw. De populariteit van de papier-maché snuifdoos ,van 1800 tot
1850,illustreerd de interesse voor de snuiftabak in het burgerlijk milieu.
Een
opmerkelijk voorwerp dat met het snuiven te maken heeft is de handrasp. Wie gesteld
was op verse tabak bediende zich van een handcarot ,een kleine tabakscarot en
een handrasp.
Deze handrasp is meestal van palmhout of ivoor vervaardigd en
heeft een ijzeren rasp over een holle rug waarin de geraspte tabak werd opgevangen.
Beroemd
zijn de raspen van ivoor die in de Franse kustplaats Dieppe zijn vervaardigd.
Gebruikte materialen en toegepaste voorstellingen wijzen erop dat deze raspen
alleen voor de rijken bestemd waren.
Een onmisbare accessoire tenslotte was
de zakdoek. Het neuspoeder kriebelde en leidde dus tot niezen; een waarschuwing
voor aandoeningen aan de slijmvliezen.

Meerschium
In de 18de eeuw
handhaafde het pijproken zich naast het snuiven. De traditionele Goudse pijp,
in steeds perfecter vorm met ragfijne en kaarsrechte steel, bleef geliefd. Vanwege
het grote rookcomfort van deze pijp, waarvan de tabaksrook altijd mild smaakt
en de pijp door zijn poreusheid altijd droog rookt, bleven concurrerende materialen
op afstand.
Het meest verwant was de porseleinen pijp.
Porselein is echter
te vast van scherf waardoor de tabakssappen die bij het roken vrijkomen niet geabsorbeerd
worden. Bovendien geleidt porselein de warmte slecht en de rook komt heet en dus
smakeloos op de tong. Door de gladde materie zet zich in de pijpenkop geen koollaagje
af voor een goede brand en prettige smaak onontbeerlijk. In de 19de eeuw werd
de porseleinen pijp een pronk of souvenirartikel in de ovale ketelvorm, de zogenoemde
stummel, die dikwijls door thuiswerkende schilders, 'Hausmaler' geheten, gedecoreerd
werd.
.Een beter materiaal, maar eveneens bestemd voor de welgestelde 'roker
is de meerschuimpijp. Deze delfstof is een verwerings produkt van waterhoudende
kiezelzure magnesia. Meerschuim is in Turkije ontdekt en in de 18de eeuw raakte
meerschuim ook in ons land bekend, nadat in Weense werkplaatsen meerschuimpijpen
in grote aantallen
werden vervaardigd. Ze hebben een ivoorwitte kleur en door
de poreuze materie kleuren zij, na lang roken, via honinggeel naar alle denkbare
bruintinten. Sterke eigenschappen van meerschuin zijn het lage gewicht en het
grote absorptievermogen, waardoor de rook altijd droog en mild smaakt. Ook hout
is voor de produktie van pijpen aangewend, al slaagde men er in de 18de eeuw nog
niet in een harde houtsoort te vinden die voldoende vuur en warmtebestendig is.
Gewalste
dozen
De tabaksdoos van de 18de eeuwser was van messing, langwerpig en
met afgeronde hoeken of achtkantig. De voorstellingen overwoekeren doorgaans de
doos en onderwerpen als bijbel scènes, stadsgezichten, huiselijke en liefdestaferelen
blevenmpopulair. De graveerstijl is lineair uitgevoerd en met een burijn een driehoekige
metaalbeitel aangebracht. Alleen in de Duitse plaats Iserlohn werden deze dozen
met een reliëfvoorstelling gemaakt.
De voorstelling werd soms specifiek
op Nederland gericht en in serie gemaakt met behulp van een walsmachine.
Vanzelfsprekend
bleef er ook nog vraag naar duurdere tabaksdozen. Het model vertoonde overeenkomst
met de messing dozen en de gebruikte materialen waren zilver, schildpad, roggehuid
en walvisbalein. Voor gebruik binnenshuis ontstond de tabakspot. Deze is in het
welgestelde milieu geïntroduceerd. Produkten van Delfts aardewerk en zilver
zijn het meest bekend. Al snel werden goedkopere exemplaren van tin en blik gemaakt.
Tegen
het eind van de 18de eeuw kwamen tabakspotten van volksaardewerk, wals van tweekleurig
klei uit Tegelen of van eenvoudig gekuipt hout.
Pruimen
en sigaren
Het pruimen van tabak is zooud als de introductie van het kruid,
maar over het gebruik is weinig bekend. De pruimtabaksdoos onderscheidt zich niet
van de kerftabaksdoos. Binnenshuis bediende de pruimer zich van een spuugbak of
kwispedoor, afgeleid van het Portugese woord cuspidor.
Overigens gebruikte
men kwispedoors voornamelijk in de betere milieus, waar de vertrekken met tapijt
belegd waren. Het meest algemeen is de kwispedoor van Delfts aardewerk, vervaardigd
vanaf ongeveer 1700. Exceptionele voorbeelden zijn van zilver vervaardigd of werden
in China van porselein besteld. In de 19de eeuw verwierf de kwispedoor van opalineglas
een voorname plaats.
Kwispeldoors
Vanaf het eind van de 18de eeuw raakte de sigaar in de
mode, gevolgd door een glorietijd van een eeuw, nadat het produkt overal en betaalbaar
te koop was en in status de pijp ontsteeg. Het voornaamste attribuut van de sigarenroker
was het etui, waarin enkele sigaren veilig opgeborgen konden worden. Veel gebruikte
materialen zijn van zilver en papier-maché, maar in de tweede helft van
de 19de eeuw volgden verschillende soorten kunststoffen. Zo zakte de sigarenkoker
af van luxe voorwerp tot souvenirartikel. Onmisbaar in het overvolle burgerlijke
interieur van de 19de euwse roker was de 'présentoir a cigares'. Dit kon
een eenvoudige molen met speelwerkje zijn, waarin men sigaren aan zijn gasten
offreerde, of een bewerkt zilveren pronkstuk, dat na het diner als tafelstuk fungeerde.
Voor het veilig bewaren van sigaren dienden na ongeveer 1850 de met fineer beplakte
kistjes of kastjes met enkele laatjes, waarin de sigaren per soort weggeborgen
konden worden.
Om maximaal van de dure sigaar te genieten, bediende men zich
van een sigarenhouder, waarin de sigaar tot het laatst kon worden opgerookt.
Vooral
van meerschuim zijn duizenden versierde sigarenhouders in alle denkbare vormen
gemaakt.
In ieder huisgezin kon men één of enkele van deze pijpjes
vinden.
 
Sigaret
Pijproken, kauwen en snuiven van tabak handhaafden
zich in de vorige eeuw. Men bleef almaar meer tabak roken, waardoor de ketel van
de pijp groter werd. In het versnelde levenstempo raakte de lange Goudse pijp
langzamerhand uit de gratie doordat deze te kwetsbaar was.
Een grotere verandering
gaf de komst van de sigaret. Vanaf 1875 was er sprake van machinale sigaretten
produktie, waarbij de producenten zich vooral op de tabaksmelange toespitsten.
Sommige sigarettenfabrieken gebruikten twintig tot veertig tabakssoorten. Het
roken van sigaretten is de meest vluchtige vorm van tabaksgebruik. Wat van deze
gewoonte aan materiële getuigenissen rest, is het reclamemateriaal, het verpakkingsontwerp,
de asbak en de aansteker. Omstreeks 1900 werd de sigarettenkoker, de tegenhanger
van de sigarenkoker, in gebruik genomen. Daarnaast bediende de
pedante sigarettenroker
zich van een meer of minder opvallend sigarettenpijpje.
De pijprokers, in aantal
snel afnemend, stapten na 1870 over op houten pijpen. Pas toen werd het bruyerehout,
een nagenoeg onbrandbare heidewortel, ontdekt die vanwege de machinale produktie
voor brede lagen van de bevolking bereikbaar werd. De traditionele kleipijp verviel
na drie eeuwen tot de status van folklore. Een Goudse pijp aangereikt krijgen
was een gastvrij gebaar en wanneer je bij een volgend bezoek je pijp met je naam
beschreven terugvond, was je als vriend opgenomen. Bij het trouwen speelde de
opgestrikte bruidegomspijp nog lang een rol. Het is geen man die niet roken kan',
zegt het spreekwoord en het souvenir van het huwelijk werd in veel burgerlijke
milieus na de bruiloft in een kastje in de mooie kamer te pronk gehangen onder
het motto 'Breekt de pijp, dan breekt het huwelijk.

Index
|